27 juli 2022

Hendrikje, Hendrikje, waar ben je toch gebleven?

illustratie

 

Heel soms verdwijnt iemand zomaar uit je stamboom, wordt die een mysterie, een geseling voor een amateur genealoog.

Ik zit dus in dit geval al maanden met de regelmaat van een klok te zoeken naar Hendrikje Wajer, geboren in Ermelo op 15.05.1815, ze was het tweede kind en tweede dochter van Berend "Hendriks" Wajer en Kornelisje "Driessen" van de Kolk. Later worden nog een Hendrina (in 1823) en Hendrika (in 1831) geboren.

Waar ik ondertussen van de zes kinderen van het gezin Wajer de levensloop en nakomelingen al vond blijft Hendrikje in de mistflarden of  "Witte Wieven" van de Veluwe gehuld, je kan er knetter van worden.

Enkele mogelijkheden:

- Het meisje overleed maar de overlijdensakte werd niet opgemaakt. Zeer onwaarschijnlijk in de, toen al, Bijbelgordel van Nederland waar alles erg strikt gecontroleerd werd.

- De overlijdensakte is verloren geraakt. Voor zover ik alles nageplozen heb volgen de aktenummers in de archieven elkaar perfect op, ook in de indexen.

- Haar familienaam, op haar geboorteakte als Waaijer genoteerd, werd elders nog eens verkeerd neergepend en is zo haast onherkenbaar geworden. Ook dan zouden we de naam van de ouders nog ergens moeten vinden bij een huwelijk of overlijden.

- Ze is elders overleden en dat is niet mee overgeschreven in Ermelo. Onwaarschijnlijk maar niet onmogelijk.

- Ergste scenario, Hendrikje werd ontvoerd en is nooit meer teruggevonden. Zou natuurlijk afgrijselijk zijn, echter niet zeldzaam, maar zouden daar dan geen artikels of verhalen meer over te vinden zijn?

Heb er dus al erg lang zitten over "prakkiseren" en denk dat ik het maar aan een gelukkig toeval moet overlaten wil ik Hendrikje ooit terugvinden. Gelukkig heb ik mijn eigen Sandra Gerritje die me er dagelijks aan herinnert dat ik met "een Wajer" getrouwd ben.


geboorteakte Hendrikje Wajer

Cool runnings,

Emmanuel




15 november 2021

Michel Joseph Paquier, "kleerkoper" te Maubeuge in 1745 (Michel Joseph Paquier, fripier à Maubeuge en 1745)

 



Nieuwe kleren waren lange tijd echt onbetaalbaar voor de gewone man of vrouw, zelfs de betere burgerij betaalde zich blauw aan kledij, al was het maar door de prijs van het basismateriaal en het uurloon van kleermakers/-maaksters. De meeste mensen konden zich slechts enkele keren in hun leven nieuwe kleren veroorloven.

Vaak ging men zelf aan de slag met tweedehands stukken mouw, kraag, knopen, … Dat haalde men dan bij een zogenaamde “fripier”, een handelaar in tweedehands kleren en- stoffen of in slecht Nederlands een “kleerkoper”. Hij haalde zijn spullen hoofdzakelijk bij hospitalen, pandjeshuizen, lijkenhuizen en het leger. 

Mijn voorvader in de negende generatie Michel Joseph Paquier wordt op 24 januari 1726 geboren in de Noord-Franse stad Maubeuge, koning Lodewijk XV is een koninkje van 16 jaar. Vader Rémy Paquier is ook al “fripier”. Michel J trouwt op 9 juni 1745 met Anne Cathérine Moguet. Ik heb nog niet kunnen achterhalen of hij in een eigen winkel werkte dan wel ambulant was en dus de streek doorkruiste en op straat of op markten zijn waar verkocht. Of Michel Joseph goed zijn boterham verdiende durf ik te betwijfelen, de streek was arm, zijn zoon zal later kleermaker worden, een beroep dat veel beter betaald werd.

Michel Joseph Paquier overlijdt in het gemeentelijk hospice op 29 augustus 1808 op 82 jarige leeftijd.

Een jaar later wordt Napoleon Bonaparte na de “Vijfde Coalitieoorlog” tegen Oostenrijk de machtigste man van Europa.


Les nouveaux vêtements étaient autrefois pratiquement impayable pour la majorité des gens, même la population un peu plus aisée payait très cher ses vêtements dû au coût des matières premières et les honoraires des tailleurs/tailleuses. Alors on se débrouillait avec tout genre de morceaux de tissus usagés de chez le “fripier”, un métier de nos jours disparu mais remplaçé  en quelque sorte par des magasins ou des organisations de bénévoles. Le fripier s'approvisionnait chez les hôpitaux, à la morgue ou chez des casernes de l'armée.

Michel Joseph Paquier, mon ancêtre dans la neuvième generation naît le 24 janvier 1726 à Maubeuge, ville du nord de la France. Le roi Louis XV n’est encore qu’un petit roi de 16 ans à çe moment. Le père Rémy Paquier est déjà “fripier”. Michel J épouse Anne Cathérine Moguet le 9 juin 1745, je n’ai pas encore pu établir s’il tenait un atelier ou si il était marchand de fripes ambulant et donc sillonnait la region pour vendre son matériel dans la rue ou sur les divers marchés.Je ne suis pas certain que Michel Joseph a bien gagné sa vie, la region Maubeugoise était très pauvre, fait est que son fils plus tard deviendra tailleur, un métier beaucoup mieux rémunéré.

Michel Joseph Paquier décède à l’hospice communal le 29 août 1808 à l’âge de 82 ans.

Une année plus tard, Napoléon Bonaparte deviendra l’homme le plus puissant de toute l’Europe grâce à sa victoire contre les Autrichiens dans le “Guerre de la Cinquième Coalition”.


Kaart van Maubeuge (carte de Maubeuge) 1726



Cool runnings,
Emmanuel




17 april 2021

Mijn overgrootvader in Münster tijdens de Grote Oorlog (Mon arr. grand-père à Münster pendant la Grande Guerre)

 


Münster 1914.

In Münster bevond zich het grootste krijgsgevangenenkamp van Noordwest Duitsland verdeeld over drie delen van de stad. Tussen 1914 en 1918 worden er zo’n 90.000 Fransen, Engelsen, Russen, Belgen, Italianen, Portugezen en Serviërs vastgehouden.
De eerste krijgsgevangen Fransen komen aan rond 14 september 1914. Ze vinden er geen echte gevangenisinfrastructuur, eerder een omheind weiland, de Duitse legerleiding hoopte op een zeer snelle zege en had dus eigenlijk niets voorbereid om de massa op te vangen. De eerste zes weken slapen ze in putten die ze zelf graven, terwijl ze overdag moeten werken aan de bouw van verschillende barakken, wegen en andere infrastructuur.

Na het beleg van Maubeuge dat eindigt begin september 1914 komen hier dus zo’n 40.000 Fransen terecht, dat is een tiende van alle Franse krijgsgevangenen in WOI.

Mijn overgrootvader Arthur Emile Anciaux is dan 26 jaar, vader van 3 kinderen en al twee jaar douanier in het grensdorp Hestrud, daardoor ook automatisch ingelijfd bij de 3e Bataillon Douaniers. Ook hij wordt echter gevangengenomen en naar Münster (kamp I) gebracht. Als douanier krijgt hij een iets beter regime maar dat maakt van hem natuurlijk nog geen hotelgast. Ook hij wordt net als alle anderen ingedeeld in een “Corvée lijst”. De “corvée”, opgelegde taak, kan bestaan uit: onderhoud van terrein of gebouwen, keukenwerk, werk voor de stadsdiensten of werk op boerderijen in de regio. Het soort corvée hing ook af van de graad van geschooldheid en wat het eventuele beroep van de gevangene was voor het uitbreken van de oorlog. Later in de oorlog zullen velen naar het Ruhrgebied gestuurd worden om er in de wapenindustrie te werken. Vermoedelijk zit mijn overgrootvader in een logistieke of administratieve sectie, ik ben er nog niet achter gekomen wat de “Corvée 12” kan geweest zijn.

Alsof het leven in een krijgsgevangenkamp nog niet hard genoeg is verneemt hij in december per post 1914 dat zijn zoontje Arthur André op de leeftijd van 21 maanden overlijdt in het huis van grootvader Anciaux in Sars-Poteries. Ook de geboorte van mijn grootvader in november van datzelfde jaar maakt hij niet mee net als de geboorte van dochter Rolande in 1917. Hij krijgt slechts sporadisch verlof.

In de zomer van 1918 kan hij terug naar huis maar wordt onmiddellijk naar het front voor de slag bij Saint-Mihiel gestuurd (september 1918). In juni 1919 is voor hem de oorlog gedaan en neemt hij terug zijn functie van douanier op, dit keer in Feignies waar hij woont. Zijn ervaringen van de voorbije jaren zorgen voor zijn later sociaal engagement zoals het mee oprichten van een lokale afdeling van de socialistische partij, zijn lidmaatschap bij veel sociale organisaties en zijn mandaten als gemeenteraadslid.

Bravo Arthur, dank u Arthur.

Münster 1914

A Münster se trouve le plus grand camp de prisonniers de guerre du nord ouest de l’Empire Allemand, réparti sur trois zones de la ville. Entre 1914 et 1918 pas moins de 90.000 Français, Anglais, Russes, Serbes, Belges, Portguais et Italiens y sont détenus.

Les premiers Français arrivent le 14 septembre après la capitalulation de Maubeuge, ils sont 40.000 soit dix pour cent du total des prisonniers de guerre Français durant la Première Guerre Mondiale.

Il n’y a pas d’infrastructure car l’Etat-major Allemand misait sur une victoire rapide, les prisonniers ne trouvent qu’ une plaine clôturée et quelques arbres. Les six premières semaines ils sont forçés à dormir dans des troux qu’ils ont creusé eux-mêmes avec comme couverture une veste ou un petit morceau de gazon. Durant la journée ils doivent construire les baraques, chemins et autre bâtiments nécessaires.

En septembre mon arr. grand-père Arthur Emile Anciaux agé de 26 ans, père de trois enfants est douanier à Hestrud, commune frontalière avec la Belgique, et automatiquement incorporé au 3ème Bataillon de Douaniers. Lui aussi est transporté à Münster (camp I). En tant que douanier il a un régime un peu moins dûr mais çe n’est pas le séjour à l’hôtel non plus bien sûr.

Tout le monde a une corvée obligatoire, souvent selon le degré d’instruction ou l’emploi avant à la guerre allant de la contruction et l’entretien de l’infrastructure, la cuisine, travaux publics pour la ville de Münster, travaux dans les fermes de la région,… Plus tard beaucoup de prisonniers seront envoyés dans la region de la Rhur comme main d’oeuvre pour l’industrie de l’armement. Je pense qu’Arthur a plutôt eu une corvée dans la logistique ou l’administration, je n’ai pas encore trouvé à quoi correspond le “Corvée 12” qu’il a note sur une carte postale en ma possession.

Comme si il n’avait pas assez de misères il apprend en décembre ‘14 par courier que son fils Arthur Andre est décédé à l’age de 21 mois chez le grand-père Anciaux à Sars-Poteries, un mois après la naissance de mon grand-père. Il n’assistera pas non plus à la naissance de sa fille Rolande en 1917. Il n'a que très sporadiquement quelques jours de congé.

Il rentre à la maison début été 1918 mais en septembre est envoyé au front pour la bataille de Saint-Mihiel (Meuse/Grand Est). En 1919 la guerre est terminée pour Arthur, il reprend sa fonction de douanier, cette fois-ci à Feignies où il habite. Ses experiences pendant la guerre vont le motiver à prendre un engagement social: de la fondation d’une division locale du parti socialiste et l’engagement dans divers associations au mandats de conseiller communal…

Bravo Arthur, merci Arthur.


Arthur Emile Anciaux met rouwband
Arthur Emile Anciaux avec brassard deuil

Cool runnings,

Emmanuel




10 april 2021

Joannes Franciscus Frodure, wever te Lotenhulle

 


Joannes Franciscus Frodure (Froduere), mijn voorvader in de zesde generatie, brult voor de eerste keer zijn keeltje schor op 1 november 1783 in Lotenhulle bij Aalter, hij is de vierde telg in een gezin van zes. Heel zijn leven blijft hij in datzelfde dorp wonen, hij trouwt er met Rosa Van Hoecke en zal zelf twee zonen en twee dochters hebben.

Na enkele jaren dagloner te zijn geweest besluit hij wever te worden. 

Zijn huis, staand in de Cijnsstraat, was waarschijnlijk zoals alle wevershuizen niet erg groot (50m² maximum), had ook maar één deur, één raam en bestond uit slechts twee vertrekken: de keuken met schoorsteen die als woonruimte diende en de werkplaats waar het weefgetouw stond. Deze laatste kamer was normaal gezien onverhard om de vochtigheid te hebben die het basismateriaal nodig had om te kunnen bewaren. Onder het dak sliep het hele gezin op één en dezelfde ruimte.

Wevers werden per el (0,698m) of per stuk betaald nadat ze hun waar naar de opdrachtgever (vaak ook nog de eigenaar van het weefgetouw) hadden gebracht. In het geval van Jan Francies moet dat in Aalter, Deinze of Ruiselede geweest zijn aangezien zulke handelaren in een stad of grotere gemeente hun bedrijf runden.

Frodure’ke werkte van zonsopgang tot zonsondergang met enkel pauze om het middageten te nuttigen. Op zondag moest naar de kerk gegaan worden , eventueel iets drinken in een plaatselijk estaminet of herberg en wanneer er een tuintje was kon nog wat “gekeuterd” worden om voor wat extra inkomsten en/of voeding te zorgen want het dagelijks menu was toch maar zelden meer dan spek, aardappelen, pap en roggebrood.

 De kinderen werkten mee zolang ze elders geen werk vonden of trouwden. De jongere kinderen maakten de spoelen klaar, de oudere kinderen verzorgden samen met vader het transport van het materiaal dat door de opdrachtgever meegegeven werd bij de uitbetaling van de vorige levering. 

Men zag bij een weversgezin steevast een groter model spinnewiel staan dat door de vrouw des huizes tijdens het vlasseizoen gebruikt werd. Werkelijk het hele gezin werd ingezet voor wat al bij al een schandalig armoedig loontje (+/- 2frank per dag) was maar vergeleken met de uitbuiting in fabriekssteden als Gent, waar 20% van de bevolking in de textielnijverheid werkte, nog op iéts leek.

 Dat ging echter in het Lotenhulle van de Frodure’s stilaan veranderen: de strenge winter van 1844 met aansluitend een mislukte aardappeloogst en in 1846 de rogge- en graanziekte kwamen bovenop de prijzenconcurrentie van de gemechaniseerde textielnijverheid. Het weversloon in de streek daalde al snel tot +/- 6 frank per week terwijl toen ook al “alles duurder werd” Een beetje “lochting” kwam dus erg goed van pas. Ik heb nergens kunnen vinden dat ze behoeftig waren of moesten beroep doen op bijstandsinstellingen, dat is op zich toch een soort geruststelling zonder waardeoordeel.

Franciscus Joannes Frodure heeft zoals de voorouders van de meesten onder ons gewerkt als een beest, omdat het moest en omdat men niet veel anders kende. Hij was daar bovenop, in tegenstelling tot zijn vader, ongeletterd. En toch leefde hij in een best boeiende periode van onze geschiedenis. Hij was 16 toen de Franse Revolutie uitbrak en 47 bij de Onafhankelijkheid van België, twee mijlpalen die in dat boerendorp waarschijnlijk niet voor ophef gezorgd hebben...

Franciscus, Frans, overleed thuis op 11 januari 1861.



Cool runnings,

Emmanuel